4 misvattingen over end-to-end monitoring

Als het gaat over het monitoren van de performance van applicaties, dan bestaan er een hoop misvattingen. Het begint eigenlijk al bij de benaming: men spreekt over application performance management, applicatiemonitoring, eindgebruikersmonitoring of ketenmonitoring. Gelukkig hebben al deze termen één aspect gemeen: het gaat over ‘monitoring’. Dat het online een veelbesproken onderwerp is, is zeker. Met ruim 70 miljoen hits op Google, is het tijd om de vier grootste misvattingen rondom end-to-end monitoring de wereld uit te helpen.

Door Martin van den Berge, CEO Ymor

1. “Ik monitor al mijn applicaties, dus dan zal de applicatieketen ook wel goed werken”

Monitoring gebeurt in veel bedrijven op technisch of applicatieniveau. Dit geeft goed inzicht in de prestaties van de individuele applicatie. Er zijn echter steeds meer applicaties met elkaar verbonden en zij werken samen om één proces te ondersteunen. Met monitoring op applicatieniveau mis je dus inzicht in de werking van die hele keten. Het blijft onduidelijk hoe de losse onderdelen als gezamenlijke keten presteren – en dus hoe de eindgebruiker de dienst ervaart. Een goed totaalbeeld is nodig om inzicht te krijgen in de prestaties van de samenwerkende componenten.

Met end-to-end monitoring, ook wel ketenmonitoring of eindgebruikersmonitoring genoemd, maak je inzichtelijk hoe de keten daadwerkelijk als geheel presteert. Het is een holistische aanpak van monitoring. Hierbij is het belangrijk om duidelijk te krijgen wanneer de eindgebruiker precies tevreden is. De grenswaarden die hieruit voortkomen kunnen worden bewaakt, waarmee ook de tevredenheid van de eindgebruiker wordt bewaakt.

2. “Door te outsourcen, outsource ik ook de verantwoordelijkheid”

Steeds meer bedrijven maken gebruik van bedrijfskritische applicaties die door grote SaaS partijen gehost worden in de cloud. Dat het om grote partijen gaat – denk aan Microsoft, Dropbox, Skype en Salesforce – betekent echter niet per definitie dat de applicaties naar tevredenheid presteren. Desalniettemin denken veel bedrijven dat zij door samenwerking met een externe partij, de verantwoordelijkheid voor performance ook uit handen geven. Dat klopt niet, de verantwoordelijkheid voor de te leveren IT-dienst blijft bij de eigen IT-afdeling.

Bovendien geldt dat hoe meer componenten worden geoutsourcet, hoe ingewikkelder de applicatieketen wordt, waarmee het belang van end-to-end monitoring navenant toeneemt. Bij meerdere leveranciers of technologieën in de keten, neemt de kans op verstoringen toe en is de keten meer dan de som der delen. Wanneer component A en B elk 10% onbeschikbaar mogen zijn en de applicatie is voor zijn werking afhankelijk van beide componenten, dan is de kans op onbeschikbaarheid toegenomen met A + B = 20%. Dit probleem wordt groter naarmate het aantal afhankelijkheden in de keten toeneemt. Dit betekent dat juist wanneer er sprake is van outcourcing, de verantwoordelijkheid voor het presteren van de totale applicatieketen door de eigen IT-afdeling genomen moet worden.

3. “Meten is weten”

monitoringDe meeste bedrijven doen wel ‘iets’ aan monitoring. Helaas gebeurt er in de praktijk vaak maar weinig met de uitkomsten van de metingen, zeggen de metingen nog niets over de beschikbaarheid of prestaties van applicaties, of bereiken ze niet het gewenste resultaat. De gemiste kansen worden meestal veroorzaakt doordat:

  • monitoring alleen op technisch niveau gebeurt, maar niet vanuit het perspectief van de eindgebruiker;
  • monitoring alleen op applicatieniveau gebeurt en niet vanuit de ketengedachte of het bedrijfsproces;
  • de metingen niet onafhankelijk worden uitgevoerd. Hierbij zie je vaak dat de leverancier zijn eigen applicatie meet (de slager keurt zijn eigen vlees);
  • er geen proces is ingericht om potentiële verstoringen te verhelpen. Alleen software inrichten is niet genoeg, er moet tevens gedacht worden aan het opleiden van mensen en het inrichten van processen;
  • de metingen op verschillende applicaties niet met elkaar kunnen worden vergeleken doordat ieder component op een andere manier wordt gemonitord. Hierdoor ontbreekt consistentie.

4. “De business case voor end-to-end monitoring is lastig te maken”

Dit is een lastige maar veel gehoorde uitspraak. Inderdaad, monitoring kost geld. Maar wanneer geen inzicht is in de daadwerkelijke prestatie van de hele keten, hoe weet je dan wanneer er problemen zijn of er problemen aankomen? Wanneer bedrijfsprocessen vertragen? Of wanneer er minder verkocht wordt of klanten gaan bellen? Dan ben je te laat! Je moet klagende werknemers, gebruikers of klanten vóór zijn en in actie komen voordat je ze kwijt bent. Hier ontstaat de businesscase en toegevoegde waarde van end-to-end monitoring.

Bovendien gaan nog veel IT projecten van start zonder dat vooraf wordt nagedacht over non-functionele requirements en KPI’s. Wanneer de applicatie in productie dan niet blijkt te voldoen wordt met ad-hoc oplossingen geprobeerd er nog het beste van te maken. En dat is zonde, want ‘problemen achteraf oplossen’ is vele male duurder en minder efficiënt dan ‘problemen voorkomen’. Het begint met het opstellen van non-functionele eisen. Vervolgens kan tijdens en na implementatie met end-to-end metingen getoetst worden of de applicatie aan deze eisen voldoet.

Kijk dus goed naar wat de dienst is die met een IT-keten geleverd wordt en voorkom misvattingen over het nut van end-to-end monitoring.

 

Lees ook:

Sorry, comments are closed for this post.

Meer weten over end-to-end ketenmonitoring? 

Download het whitepaper: